Spijk

Spijk

Spijk was vroeger een heerlijkheid. Deze bestond in elk geval sinds de vijftiende eeuw uit twee delen, het westelijke deel heette het Nedereind en het oostelijke het Overeind, genoemd naar hun respectievelijke ligging aan de Linge. De bezitters van beide delen hadden voor de Reformatie afwisselend het recht tot het voordragen van de nieuwe pastoor van Spijk. Pal ten noorden van de kerk bevond zich het Huis Spijk dat al in de vijftiende eeuw wordt vermeld en begin 19e eeuw gesloopt. In 1611 verkocht Gerard Arnoutsz. van Rhenoy het Nedereind, dat een Hollands leen was, aan Cornelis van Aerssen. Twee jaar later verwierf hij door schenking het Overeind van prins Filips Willem van Nassau als een leengoed van het graafschap Leerdam. Sindsdien hadden de beide helften steeds dezelfde eigenaar. De heerlijkheid Spijk werd in het westen en noorden begrensd door de Linge, in het oosten scheidde de Spijkse Zeevang Spijk van de heerlijkheid Heukelum. De zuidgrens werd gevormd door de Spijkse Achterdijk die de scheiding vormde met de heerlijkheid Dalem. In 1812 werd Spijk samen met Arkel bij de gemeente Kedichem gevoegd.

In 1817 werd Spijk een zelfstandige gemeente die onder de provincie Holland viel. Het deel van Spijk dat ten zuiden van de Kweldijk en ten oosten van de Zuiderlingedijk lag, werd echter al snel bij de Gelderse gemeente Vuren gevoegd. Het resterende deel kwam in 1855 bij Heukelum. De dorpskerk van Spijk wordt gebruikt door de plaatselijke Hersteld Hervormde gemeente.